'Melkmeisje' ligt vanaf 3 februari in de boekhandel!

Melkmeisje 

Najaar 1657. Aan talent en ambitie geen gebrek, maar de jonge schilder Johannes Vermeer heeft zich danig in de nesten gewerkt met een scabreus doek waarvan half Delft schande spreekt. Ook zijn eigen katholieke schoonfamilie lijkt het vertrouwen in hem op te zeggen. Dienstbode Tanneke heeft scherper dan wie ook in het oog welke gevoeligheden daar leven. Ze houdt haar mond, al heeft ze haar mening klaarliggen: Ze ziet niets in die eigengereide prentenmaker.

        Hoe krijgt Johannes zijn carrière weer op de rit? Hoe herwint hij liefde en steun van zijn echtgenote Catharina? Van zijn kant houdt hij wezenloos veel van haar, maar zij heeft wel wat anders aan haar hoofd dan hem nog langer op te beuren. Net als iedereen zou ze willen weten wat hem bezielde om die al te intieme bordeelscène te schilderen.

Eindelijk breekt bij Johannes het besef door dat het moment schreeuwt om een doek dat alle critici in één keer de mond snoert. En dat de rekeningen gaat betalen voor hem en zijn prille gezin.

Goddank is er nog één Delftenaar die het wel ziet zitten met de ongepolijste jonge kunstschilder. Toch windt ook deze Van Ruijven er geen doekjes om. Voordat hij bereid is een ruimhartige lening te verstrekken, wil hij aansprekend werk zien, geheel volgens de regels van de Hollandse genre-kunst. Bijvoorbeeld de dienstbode bezig in haar keuken.

        Johannes weet wat hem te doen staat. Maar Tanneke ziet hem al aankomen.

        Dan ziet ze in dat poseren een eenmalige kans zou bieden. Valt voor haar wellicht toch nog te achterhalen waarom hij zijn schoonfamilie zo in het nauw heeft gebracht?

 

Fragment

Februari 1657

Tanneke

Een snijdend koude februaridag, de Markt ligt er verlaten bij. Geen wonder, hij ziet nog wit van de vorige hagelbui terwijl de donkere hemel al een volgende lading aankondigt. Ik sla mijn kraag omhoog en glibber naar de overkant. Ik moet niettemin moed verzamelen om die herberg binnen te gaan, voor het eerst in mijn leven.

Ik ben amper over de drempel of iemand vraagt of die verdomde deur dicht kan.

            Het staat blauw van de rook. Ik onderscheid groepjes dobbelende mannen. Twee meiden zijn met bier onderweg van de ene tafel naar de andere. Ze nemen me kort op, stellen vast dat ik hier niet thuishoor en gaan verder met bedienen. Een derde heeft de handen amper leeg of ze wordt bij zo'n kerel op schoot getrokken. Een gilletje volgt, daarna gebulder bij de hele kring.

            Mechelen is een herberg waar je volgens de verhalen meer kunt kopen dan alleen bier en worst. Liefde of wat daarvoor moet doorgaan, loten voor de trekking, en je kunt hier je toekomst laten lezen, hoe je wilt, in je geopende hand of een flesje meegebrachte pis. Iedere Delftenaar heeft zijn mening klaar over Mechelen.

            Ik kom voor de schilderijen, die gaan hier net zo goed in de verkoop. Het duurt een paar tellen, dan heb ik door waar ze hangen. Daar, links achter die rij ruggen en schouders.

            Nu zal ik dat doek van Johannes met eigen ogen zien ook.

            Kijk, daar heb je IJsbeer, die komt even snuffelen. IJsbeer is een hond. De naam zegt meer over Johannes' familie dan over het beest, want dat is mak en ongevaarlijk. Hooguit log uitgevallen.

            Bij het laatste tafeltje draait een kerel net een kwartslag opzij, steekt zijn been uit en laat zijn laars met sporen op een naastgelegen kruk rusten. Doorgang versperd. Pas als ik inhoud neemt hij de moeite om op te kijken van zijn speelkaarten.

            'Waarheen ben jij onderweg, juffrouw, zo helemaal alleen?'

            Ik kijk naar een bolle kop, half kaal, met roze spekwangen en een vreemde plooi bij de neuswortel.

            Moet ik dat smalende toontje pikken? Het middaguur heeft nog niet geslagen of deze kerels zijn al hard op weg om ladderzat te worden. Drinken en kaarten, in plaats van zich nuttig te maken zoals ieder ander.

            Ik kan natuurlijk gewoon doorlopen en dat been opzijduwen, maar dan heb je de poppen aan het dansen. Ik ken het soort, daar verandert zijn vreemde tongval – ergens uit het oosten van het land? – niets aan. Straks loopt hij brutaalweg achter me aan, en als ik pech heb met zijn kornuiten in het kielzog, want ja, dan heb ik hem uitgedaagd.

            Nee, mijn halve uurtje middagpauze is me dierbaar, ik zal dit anders moeten oplossen. Eerst maar netjes vragen of ik erdoor mag. Lukt dat niet, dan neem ik alsnog een omweg.

            Een tafelgenoot van meneer de praatjesmaker haalt de pijp uit zijn mond, blaast kalm een wolkje en roept dat Gert – kijk aan, mijn belager heeft een naam – moet bijspelen. Dat het gelag anders voor zijn rekening is. Die woorden vinden instemming bij de twee anderen.

            Kale Gert werpt een geduldige blik op de drie ruitens op tafel en het leitje met krijt ernaast, besluiteloos, zo lijkt het.

            Dan legt hij alsnog zijn kaarten weg. Zodra hij zich overeind heeft gehesen, blijkt hij een volle kop groter dan ik. Allemachtig, wat stinkt hij naar zweet en pis. Ik vraag – terwijl ik langs hem heen probeer te kijken – of ik er alsjeblieft door mag, maar hij brengt zijn zatte kop nog wat dichterbij en slaat een arm om mijn schouder. Hij zegt dat hij bereid is om me gezelschap te houden en vraagt in één adem of ik een gulden kost. Ik zeg dat ik niets kost zolang hij maar met zijn poten van me afblijft. Ik weet me met moeite los te wringen, maar Gert geeft niet zomaar op.

            Ik draai me om om het maar via de omweg te proberen, maar hij grijpt me bij een slip van mijn cape. Ruw trekt hij mij naar zich toe. Zijn drie makkers laten het gebeuren. Ook IJsbeer vergeet te blaffen.

            Gert grijnst me alleen maar toe met een lege blik, alsof hij zelf ook benieuwd is hoe het verhaal verdergaat.

            Elders in de herberg vallen gesprekken stil. De wand met schilderijen is nog enkele passen verwijderd.

            Gert noemt mij een vurig type. Daar kon hij weleens gelijk in hebben. Ik voel bloed naar mijn wangen stromen. Goed dan, als hij het echt wil. Ik kom vrijwillig nog iets dichterbij. Zonder zijn blik los te laten zeg ik dat hij me maar beter kan laten gaan.

            'Volgens mij ken jij IJsbeer niet. Zodra ik ga gillen, en dat staat elk moment te gebeuren, heb je kans dat hij gaat bijten. En gebeten worden door IJsbeer is niet leuk.'

            'Wie of wat is IJsbeer? Die hond?' Hij werpt een ongelovige blik opzij.

            'IJsbeer is een wolfhond, een kruising. Het kan zijn dat jij over een kwartiertje naar huis moet worden gedragen.'

            Hij lacht wat onbeholpen. 'Geloof je het zelf?'

            'Nietwaar, IJsbeer?' Ik draai me om naar het beest. Dat is op zijn achterpoten gaan zitten en kijkt me niet-begrijpend aan. Hindert niks, IJsbeer is vooral groot.

            Daar klinkt voorzichtig gelach. Twee van zijn kornuiten stoten elkaar aan.

            Gert schraapt bedenkelijk langs zijn drie-dagen-baard.

            'Denk je nou heus dat ik bang ben voor dat beest?' vraagt hij ongelovig.

            Ik ruk me los en zet de handen in mijn zij. 'Je vrienden lijken zich te verheugen op de keer dat jij je lesje leert en die lijkt dichterbij dan ooit.'

            De blik die hij in de rondte werpt spreekt voor zich: deze kwestie kan maar beter snel zijn afgehandeld.

            'Vergeet die meid,' roept er eentje. 'Kom gewoon zitten en speel bij.'

            Gert lacht, eerst naar hen, dan naar mij. Ten slotte een korte blik naar de hond. Op zoek naar een keuze.

            'Neem me niet kwalijk, juffrouw, maar mijn vrienden...'

            De rest van zijn excuus gaat ten onder in hoongelach.

 

Vlug loop ik door. Probleem één mag hiermee dan zijn opgelost, er is nog steeds een rij ruggen die mij het zicht op de schilderijen verspert.

            Ik moet een stem opzetten om te vragen of ik erdoor, anders kom ik niet boven het kattengejank van de doedelzak uit.

            Geen van die kerels hoort me, ze zien me niet eens. En op mijn tenen staan helpt evenmin, dus tik ik er een op zijn schouder. 'Zou u me er misschien langs willen laten?'

            Ik staar in een verbaasd gezicht met een open mond waarin een voortand mist. Ook de neus heeft klappen opgelopen.

            'Maak plaats voor een dame!' brult hij met schorre stem.

            Kijk, dat heeft effect.

            Ik wurm me naar voren. Eén voordeel: in dit gedrang herkent geen mens me. Heb ik me daarvoor in te kleine kleren van mijn moeder gehesen. En die extra doek over mijn kapje had ik ook thuis kunnen laten.

            Mannenzweet en bier, het een stinkt nog meer dan het ander.

            Dan sta ik pal voor het doek. Allemachtig, wat is het groot. Hoe heeft Johannes dat klaargespeeld? Normaal schildert hij amper in de winter, nu levert hij dit gevaarte af. Hij moet de voorbije maanden dat hij zich hierboven in zijn atelier verschanste als een bezetene tekeer zijn gegaan . De maanden dat zijn schoonmoeder hem daar de toegang had ontzegd.

            Hoe vreselijk ook, de verhalen kloppen, het is een bordeelscène. Rechts hoertje, dan klant, links koppelaarster.

            De mannen achter me hebben hun mening klaar: 'schaamteloos', 'een smerige  katholieken-streek', 'aantasting van de goede zeden'. Het erge is, ze hebben nog gelijk ook, Johannes lijkt wel gek geworden.

            Het doek schijnt hier pas een dag te hangen, maar het nieuws gaat als een lopend vuurtje rond. Ook ik wilde weten of dit meer was dan typisch Delftse kwaadsprekerij. Het antwoord is: nee. Hij heeft zichzelf te schande gemaakt.

            Daar zul je hem zelf hebben trouwens, die kerel links vooraan op het doek, gestoken in kazak met split, net zo'n Italiaanse troubadour die van kermis naar kermis trekt. Geen misverstand mogelijk. Het gezicht is wat verdekt in de schaduw, maar je herkent Johannes aan zijn scheve grijns en lange krullen. Wat heeft hij in dit tafereel te zoeken? Hij brengt een toost uit op het paartje van de avond.

            Een volgende duw van achteren, er gaat bier over mijn cape, maar ik zet me schrap. Nee, nu wil ik alles zien.

            Tenminste, een deel van mij is hiervoor gekomen, een ander deel sluit zich het liefste af. Ik kijk naar iets wat ik niet wil zien.

            De in zwart gestoken koppelaarster vindt het uiteraard allemaal best, zolang de klant maar een muntje betaalt. Hij heeft het in de aanslag, zijn vrije hand ligt op de borst van het hoertje. Hoe schunnig wil je het hebben?

            Dat arme kind maar blozen.

            Hemel, is zij wie ik denk dat ze is? 

 

quotes

 

´Adembenemende historische roman´

Tijdschrift Privé